Historie van Ravenstein

Ravenstein werd in 1360 gesticht door Walraven van Valkenburg, leenman van de hertog van Brabant, die toen aan de oever van de Maas een kasteel liet bouwen, na daarvoor jarenlang vanuit zijn kasteel te Herpen tol te hebben geheven over het verkeer op de rivier. In 1364 probeerde de hertog tevergeefs een einde te maken aan deze praktijk door het kasteel te belegeren.

In 1630 ging Ravenstein wederom over naar een nieuwe eigenaar, ditmaal het katholieke huis Palts-Neuburg. Het Staatse garnizoen verliet de stad tijdelijk, om in 1635 weer terug te keren. In 1641 werd er een speciale garnizoenskerk gebouwd. Ravenstein bleef echter buiten de Republiek en de vrijheid van godsdienst keerde terug. Het Land van Ravenstein werd hierdoor een toevluchtsoord voor kloosterorden die uit de Republiek waren gevlucht, terwijl katholieken van over de grens in kerken op Ravensteins grondgebied de mis bijwoonden. Bij de komst van de Fransen in 1672 trok het Staatse garnizoen zich weer terug. De vestingwerken werden hierna gesloopt.

In 1735 werd in Ravenstein de Sint-Luciakerk gebouwd, de enige Nederlandse kerk in deze barokstijl buiten de provincie Limburg. De parochie van Ravenstein is afgesplitst van die van Neerlangel. In 1538 werd voor het eerst van een parochiekerk te Ravenstein melding gemaakt. Na een stadsbrand werd door de Jezuïeten in 1606 een nieuwe kerk gebouwd. Na de bouw van de Sint-Luciakerk kerk werd deze kerk overbodig en aldus werd door de Jezuïeten, op de plaats van de oude kerk, in 1752 een Latijnse School opgericht. De school werd gefinancierd uit de opbrengsten van de Ravensteinse Loterij en heette Gymnasium Aloysianum. Dit diende oorspronkelijk als kleinseminarie en heeft bestaan tot 1878. Geleidelijk kwam het gebouw in gebruik als raadhuis, maar in 1905 werd het gesloopt en kwam er een raadhuis voor in de plaats, ontworpen door H.J. Caners. In 1978 werd het gebouw vervangen door een gemeentekantoor en kwam de ernaast liggende 18e eeuwse notariswoning in gebruik als raadhuis.

In 1794 maakte de Franse bezetting een einde aan de autonomie van het Land van Ravenstein. In 1800 werden Ravenstein en het bijbehorende land verkocht aan de Bataafse Republiek. In 1814 kwam Ravenstein bij het toen opgerichte Koninkrijk der Nederlanden. Onder Nederlands bestuur werd het kasteel in 1818 tot en met de fundamenten gesloopt. Slechts de Kasteelsepoort bleef bestaan als onderdeel ervan.

Economie

De opname in Nederlands staatsverband betekende aanvankelijk nog geen economische opbloei. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw maakte Ravenstein een nieuwe bloeiperiode door dankzij de ligging aan een spoorlijn en de komst van industrie. De spoorlijn en de spoorbrug werden in 1874 geopend, het station Ravenstein werd in 1881 geopend. Ook de Maas bood transportmogelijkeden.

Na 1860 begonnen zich bedrijven te ontwikkelen buiten het eng door vestingwerken omsloten stadje. Het betrof een koren- en schorsmolen, een gasfabriek uit 1867, een boterfabriek uit 1876 en een smederij. In 1857 werd een korenmolen gebouwd op het bastion Utrecht, die in 1863 van stoomtuig werd voorzien. In 1852 startte de schoenmakerij van Suermondt die tot de RAVO-fabriek zou uitgroeien tot de fabriek in 1982 werd gesloten. Het leerlooierijhuisje vormt hier nog een herinnering aan.

De firma Meulemans begon te Herpen. In 1864 stelde hij aldaar een windmolen in bedrijf die in 1873 uitgebreid werd met een stoommachine. In 1886 verplaatste hij het bedrijf naar Ravenstein, vanwege de betere transportmogelijkheden. Aanvankelijk hield hij zich daar vooral met handel bezig maar in 1904 werd er een motor geplaatst die de maalderij en graanzuiveringsmachines aandreef. Dit alles ontwikkelde zich tot het mengvoederbedrijf dat ook tegenwoordig nog bestaat. Nu onder de naam De Heus.